media release

Samen op weg naar minder

Hoe Nederlandse energie-intensieve bedrijven, waaronder AkzoNobel, helpen om de CO2-uitstoot te verlagen.

In het Energierapport 2016 geeft de Nederlandse regering aan om in de periode tot 2050 de uitstoot van CO2 met 80-95 procent terug te willen dringen. De Nederlandse energie-intensieve industrie, verenigd in VEMW, is ervan overtuigd dat energie-intensieve bedrijven actief bij kunnen dragen aan dit doel, en wil die bijdrage leveren door te investeren in radicaal nieuwe technologieën, producten, materialen en verdienmodellen. In dit position paper doet de energie-intensieve industrie een concreet voorstel (propositie) hoe zij kan bijdragen aan een radicale verlaging van de CO2-uitstoot van Nederland en welke ondersteunende rol van de overheid daarbij noodzakelijk is. 

Energie-intensieve bedrijven dragen op verschillende manieren bij aan de verlaging van CO2-emissies die gerelateerd zijn aan energieproductie en energie- en grondstoffengebruik. Bijvoorbeeld door verbetering van de energie-efficiëntie, nuttig gebruik van restwarmte, toepassing van slimme technologie, de productie en het gebruik van duurzame grondstoffen en energie en de afvang en opslag of hergebruik van CO2. De afgelopen decennia zijn met deze middelen forse resultaten bereikt binnen de eigen organisatie en waardeketen. Ook in de komende 10 jaar kan door ‘optimalisatie’ de uitstoot van CO2 verder verlaagd worden. Dit is echter onvoldoende om tot een reductie van meer dan 80 procent te komen. Hiervoor is een trendbreuk nodig. 

Zowel de betrouwbaarheid als de betaalbaarheid van de Nederlandse energievoorziening vormen basisvoorwaarden voor de industrie om te investeren in vernieuwing. Onder invloed van internationalisering en verduurzaming staan beide onder druk. Het is van belang dat energieintensieve bedrijven kunnen rekenen op een betrouwbare energievoorziening en internationaal concurrerende energiekosten, om van grote toegevoegde waarde te blijven voor de Nederlandse economie. Dit stelt eisen aan de brandstofmix, de kwaliteit en capaciteit van het netwerk, het systeem van CO2-beprijzing en de heffing van toeslagen en belastingen. 

De beoogde trendbreuk kan 80-95 procent emissiereductie in 2050 mogelijk maken. Hiervoor is een fundamenteel nieuwe aanpak van ‘innoveren’ noodzakelijk. Niet langer volstaan verbeteringen binnen bedrijven, sectoren en bestaande waardeketens. Een versnelling en verdieping van de CO2- reductie dient plaats te vinden door samenwerking tussen bedrijven over sectoren heen waardoor nieuwe waardeketens en verdienmodellen ontstaan. Ongeveer de helft van de reductie wordt gerealiseerd met behulp van geïntegreerde maatregelen gericht op energiebenutting (zoals procesintensivering, integrale warmtebenutting en procesintegratie) en energievoorziening(vervanging van fossiele brandstoffen door biomassa, gebruik van hernieuwbare bronnen, flexibilisering van het energiesysteem). Voor de andere helft zijn end-of-pipe maatregelen (afvang en hergebruik of opslag van CO2) noodzakelijk. 

De energie-intensieve industrie is bereid significant te investeren om dit toekomstperspectief te verwezenlijken. Hiervoor zijn onder meer veranderingen nodig in de wijze waarop zij energie gebruiken en in hun energie- en grondstofbehoeften voorzien, de overgang van lineaire naar circulaire verdienmodellen, de financiering en de aard van verbeteringen, waarbij de focus ligt op vermindering van de CO2-voetafdruk zowel binnen als buiten de eigen organisatie of waardeketen. 

Daarnaast moet een aantal cruciale barrières worden weggenomen. Deze liggen op het gebied van toepassing van technologie zijn onvoldoende; organisatie: de vereiste (sectoroverstijgende) samenwerking en verbindende infrastructuur ontbreken; wet- en regelgeving: tariefstructuren en voorwaarden vormen hindernissen voor de bijdrage aan de flexibilisering van het energiesysteem en bedrijfsrisico’s: noodzakelijke veranderingen brengen risico’s met zich mee die niet of onvoldoende kunnen worden ondervangen. 

Om deze knelpunten weg te nemen is actieve betrokkenheid en faciliterend beleid van de overhead noodzakelijk. Hiermee zorgt zij voor positieve investeringsprikkels die bedrijven verleiden tot het investeren in Nederland. Het position paper, dat beoogt input te geven voor de beleidsagenda die de minister van Economische Zaken in het najaar van 2016 presenteert, biedt hiervoor concrete aanknopingspunten. Deze zijn geformuleerd in de vorm van zes thema’s die de basis kunnen vormen voor een partnerschap van industrie, overheid en overige stakeholders: 

• Identificering aandachtspunten elektriciteits- en gasvoorziening (interconnectie, transparantie, doelmatigheid en investeringen) 
• Vernieuwing opzet onderzoeksprogramma’s (cross-sectoraal, thematisch) 
• Ontwikkeling model voor samenwerking rond gemeenschappelijke infrastructuur 
• Ontwerp innovatieve financieringsmogelijkheden 
• Verbreding van het subsidie instrumentarium van de SDE+ 
• Aanpassing netwerktariefsystematiek elektriciteit en gas